In de Katechismus van de Katholieke Kerk wordt het Rooms-Katholieke geloof op heldere wijze uiteengezet.
Het tweede deel van dit boek gaat over "de viering van het Christusmysterie", o.a over de zeven sacramenten van de Kerk.
Het tweede hoofdstuk hiervan bespreekt 'De sacramenten van de genezing', waarbij in artikel 4 het volgende over 'het sacrament van boete en verzoening' geschreven staat.
1485 Op paasavond verscheen Jezus aan zijn apostelen en zei tot hen: "Ontvangt de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven" (Joh. 20,22-23).
1486 De vergeving van de zonden die na het doopsel bedreven werden, wordt verleend door een eigen sacrament, dat sacrament van de bekering, van de biecht van de boete of van de verzoening wordt genoemd.
1487 Wie zondigt, krenkt Gods eer en zijn liefde, zijn eigen waardigheid als mens, geroepen om kind van God te zijn, en het geestelijk welzijn van de kerk, waarvan elke christen een levende steen hoort te zijn.
1488 Vanuit het geloof beschouwd, bestaat er geen groter kwaad dan de zonde en niets heeft ernstiger gevolgen voor de zondaars zelf, voor de kerk en voor de gehele wereld.
1489 Terugkomen tot de gemeenschap met God nadat men haar door de zonde verloren had, is een beweging die haar oorsprong heeft in de genade van God, die vol barmhartigheid is en bezorgd om het heil van de mensen. Men moet deze kostbare gave voor zichzelf en voor de anderen vragen.
1490 De beweging van terugkeer tot God -bekering en berouw genoemd- houdt spijt en afkeer in ten aanzien van de bedreven zonden, en het vaste voornemen voortaan niet meer te zondigen. Bekering heeft dus zowel met het verleden als met de toekomst te maken; ze wordt gevoed door de hoop op de goddelijke barmhartigheid.
1491 Het boetesacrament bestaat uit een geheel van drie akten die de boeteling verricht, en de absolutie van de priester. De akten van de boeteling zijn: het berouw, de belijdenis of bekentenis ten overstaan van de priester en het voornemen het aangedane kwaad ook daadwerkelijk te herstellen.
1492 Spijt of berouw moet ingegeven worden door motieven die uit het geloof voortkomen. Als het berouw voortvloeit uit liefde tot God, wordt het "volmaakt" genoemd; als het gegrond is op andere motieven, noemt men het "onvolmaakt".
1493 Hij die zich met God en de kerk wil verzoenen, moet ten overstaan van een priester alle zonden belijden die hij nog niet beleden heeft en waarvan hij zich na een zorgvuldig gewetensonderzoek bewust is. De belijdenis van dagelijkse zonden wordt door de kerk ten zeerste aanbevolen, al is die op zich niet noodzakelijk.
1494 De biechtvader legt aan de boeteling op bepaalde daden van "voldoening" of,,penitentie" te volbrengen, om de schade te herstellen die door de zonde aangericht werd en om opnieuw bevestigd te worden in de levenshouding die eigen is aan een leerling van Christus.
1495 Enkel priesters die van het kerkelijk gezag de bevoegdheid daartoe hebben gekregen, kunnen in naam van Christus zonden vergeven.
1496 De geestelijke uitwerkingen van het boetesacrament zijn:
- de verzoening met God waardoor de boeteling de genade terugkrijgt;
- de verzoening met de kerk;
- de kwijtschelding van de eeuwige straffen opgelopen door doodzonden;
- de kwijtschelding& minstens gedeeltelijk, van de tijdelijke zondestraffen;
- vrede en rust van het geweten en geestelijke troost;
- groei van de geestelijke krachten voor de christelijke strijd.
1497 De individuele en volledige biecht van de zware zonden, gevolgd door de absolutie, blijft het enige gewone middel om zich met God en de kerk te verzoenen.
1498 Door aflaten kunnen de gelovigen voor zichzelf en voor de zielen in het vagevuur vergeving van de tijdelijke zondestraffen verkrijgen.